Marta Pan, Drijvende sculptuur, Otterloo 1960-1961.
Als één oerbeeld mijn jeugd samenvat dan is het dat van een witte bal midden in de sloot.
Eerst het geschreeuw en de valpartijen op het voetbalveldje vlak achter onze flat.
Daarna een lange ruzie over een vermeend doelpunt.
Er liggen vier jassen op het veld.
De doelen.
Rolde de bal over de binnenkant van de jas of er vlak langs?
De opwinding als er een volwassen man even blijft staan kijken.
Misschien is het een scout van FC Amsterdam en rapporteert hij s'avonds bij de club.
"Ik zag een jongen voetballen, ongelofelijk.
Ze noemden hem Nico.
Perfect tweebenig en hij ziet het spelletje.
Die moeten we hebben".
Dan het afzwaaiende schot op doel, midden in de bosjes.
Bosjes die nog grote witte bessen droegen, perfect voor in je blaaspijp.
Het heerlijke geluid van een ploppende bes op het voorhoofd van die lul van een Teuntje Verheijen, met zijn veel te dure schooltas.
Het zoeken in de bosjes, je wachtende vriendjes, en dan de schreeuw: Hebben!
De moeder van Daan op het balkon, die roept dat we Daan ook eens een bal moeten geven.
En dat doen we.
Hij verkloot het weer.
"Goed zo Daan", roept zijn moeder.
Midden in de zesde helft een pass op Benno die aanlegt, schiet, scoort en daarna het doorrollen van de bal.
Sloot, roepen we met zijn allen.
Sloot.
En verdomd.
SLOOT...!!
Uit: Dijkshoorn kijkt kunst.